bron: Maurice Timmermans

Het was vorige week voor het eerst dat een hooglerarendebat voor iedereen toegankelijk was, maar studenten en docenten stroomden niet massaal toe. Zo’n veertig stoelen in de aula aan de Minderbroedersberg waren bezet. Aan de voordracht van prof. Karin Bijsterveld lag het niet, zij hield een interessante lezing over de geschiedenis van lawaai.

Rector Gerard Mols vertelde ooit dat hij twee hoogleraren met elkaar zag kennismaken, terwijl ze al tijden aan dezelfde faculteit werkten. Onbestaanbaar. Daarom stelde hij anderhalf jaar geleden hooglerarendebatten in om wetenschappers van verschillende disciplines met elkaar in contact te brengen en van gedachten te laten wisselen. Dat gebeurt – om de drie maanden – aan de hand van een lezing, waarop zogenoemde referenten van een ander wetenschapsgebied commentaar geven. Zo bogen zich in het verleden een psycholoog en een medicus over eetstoornissen, een en econoom en filosoof over doorwerken na het 65e levensjaar.


Vorige week woensdag was het aan cultuurwetenschapper prof. Karin Bijsterveld om een voordracht te houden, en onder anderen aan socioloog en oud-rector Hans Philipsen om commentaar te geven. Spreekstalmeester en rechtendecaan Aalt Willem Heringa, die Mols verving, was in de mening dat Bijsterveld zou ingaan op wat hij noemde, de Idols-verkiezing tussen universiteiten oftewel The Battle of the Universities. Op initiatief van NRC Handelsblad gaan dertien universitaire teams de strijd met elkaar aan: wie kan wetenschappelijk onderzoek het best populariseren? De winnaar krijgt honderdduizend euro om de plannen uit te voeren.

Bijsterveld leidt het Maastrichtse team dat in het project Sound Souvenirs het gezinsleven in de jaren vijftig tot leven wil wekken via authentieke bandrecorderopnames van huiselijke scènes. Geluidsbanden als familiealbum dus. De Maastrichtenaren willen dit onder meer aanschouwelijk maken via exposities in musea.

Maar goed, hier ging haar lezing dus niet over. Wel over haar boek, dat volgend jaar in de winkel ligt: Mechanical Sound. Technology, Culture and Public Problems of Noise in the 20th Century. Thema: de geschiedenis van lawaai in de periode 1875 tot 1975. Niet dat kabaal toen pas als een probleem werd ervaren. Al in het oude Rome ergerden geleerden zich aan kopersmeden, aan wie het verboden was om zich in de buurt van hun woningen te vestigen. Wat in de zeventiende eeuw ook gold voor wijken waar universiteiten lagen, zegt Bijsterveld.

In de afgelopen eeuwen valt op dat lawaai meer en meer wordt geassocieerd met onbeschaafd gedrag, met handwerkers, domheid. Rust en stilte gold als een teken van voornaamheid. Een heer van stand of een intellectueel wist op de juiste momenten te zwijgen, zich te beheersen. In de negentiende eeuw meende de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer dat mensen die ongevoelig zijn voor lawaai “ook ongevoelig zijn voor argumenten, gedachten, gedichten en kunstwerken, kortom, voor geestelijk indrukken van iedere soort, en dat ligt aan de taaiheid en de grove samenstelling van hun hersenmassa.”

Bijsterveld beschrijft in haar boek vier soorten lawaai (van industrie, buren, vliegtuigen en auto’s) maar beperkt zich op deze middag voornamelijk tot het stedelijke lawaai. Dat nam rond 1900 een hoge vlucht toen de auto in het straatbeeld zijn intrede deed. De herrie die ermee gepaard ging, werd bestempeld als de duivelse symfonie van de moderne tijd. Er ontstonden verhitte debatten, die in het midden van de jaren dertig nóg feller waren. Ze werden vaak gevoerd via publicaties in tijdschriften en kranten. De woede richtte zich vooral op de claxon – een martelinstrument volgens sommigen – die om de haverklap ingedrukt werd, mede omdat er nog weinig verkeersregels waren. Inhalen ging steevast vergezeld van getoeter.

Opmerkelijk is, zegt Bijsterveld, dat men in die tijd lawaai anders definieerde dan wij nu doen. Men ergerde zich in steden vooral aan de variatie in geluiden, niet aan de hoeveelheid decibels. Amsterdam kende een stiltebrigade: vier agenten die op twee motoren met zijspan toezicht hielden op straat. Komisch in zekere zin, zegt Bijsterveld, omdat die motoren geheid een hoop herrie maakten. Onder de stedelijke bevolking heerste veel nervositeit, inwoners hadden last van alle stimuli – geluid en beweging – die de moderne tijd op hen afvuurde. Depressies en neurosen kwamen toen vaker voor dan normaal.

In veel landen en steden – Italië, Oost-Europese landen, Boedapest, Jeruzalem, Parijs – richtten de tegenstanders anti-lawaaiverenigingen op, die acties en demonstraties op poten zetten en via bioscoopfilmpjes mensen tot stilte probeerden te manen in het alledaagse leven.

De campagnes waren ten dele een succes, zegt Bijsterveld. De wet werd hier en daar aangepast: ’s nachts toeteren mocht niet meer en er kwamen meer stoplichten en straatnaambordjes, zodat bestuurders makkelijker de plaats van bestemming bereikten. Geleidelijk nam het onrustige geclaxonneer, ook overdag, in veel steden af. Het succes is te danken aan de coalitie die de anti-lawaaiverenigingen sloten met de ANWB. Automobilisten voorzagen de gunstige effecten, zoals betere bewegwijzering, van de stilte-acties. Met de arbeiders lukte het niet om een gezamenlijk front te vormen tegen industrieel lawaai. Velen van hen hadden helemaal geen last van de herrie omdat die ritmisch en dus voorspelbaar was.

Wat de campagnes niet bewerkstelligden: een cultuuromslag of mentaliteitsverandering. Zoals die zich wel in de negentiende eeuw had voltrokken in de houding tegenover stank, een probleem dat grondig is aangepakt en uit de wereld is geholpen. Wat voor een belangrijk deel te danken is aan het dreigende gevaar voor de volksgezondheid. Geluidsoverlast daarentegen is tot op de dag van vandaag niet met alle macht bestreden en is daarom nooit van de publieke agenda verdwenen. Hoe kan dat? Sommigen beweren dat lawaai een noodzakelijk nevenproduct is van economische en technologische groei en die slaan we hoger aan dan zaken als gezondheid en milieu. Dat is van alle tijden. Een drogredenering, zegt Bijsterveld, want in het verleden stonden economie en gezondheid niet tegenover elkaar, zoals tegenwoordig wel vaak het geval is. De verenigingen waren niet gekant tegen technologische vernieuwingen, maar beoogden alleen om het onnodige lawaai te uit te bannen.

Van de anti-lawaaiverenigingen bleef in de periode rond de Tweede Wereldoorlog niets over. Menige criticus dreef de spot met de stilteaanbidders. ‘Willen jullie misschien dat de overheid kleden uitspreidt over het land, zodat de neerstortende bommen minder kabaal zouden maken’, heet het in een grap. Kortom, mensen hadden wel wat anders aan hun hoofd dan stil te zijn.

zie ook: